Kwispelstaarten – Plato

Een lome moeheid maakt zich van haar meester wanneer het zoeken naar de inspiratie die ze , weet ze veel waar,ergens heeft achtergelaten en juist nu ze een leuk verhaaltje zou willen schrijven met als onderwerp het opgegeven woord.
Ze vleit zich neer op de bank, waar de kleine hond zich heeft genesteld en nu kwispelend flikflooiend aandacht vraagt
ze geeft een aai over de bol legt zich naast hem neer en valt, mijmerend over het woord kwispelstaarten, in slaap.

Een boerenschuur, met aan de wand een paardenhoofdstel,paardentuig, hoeven ,zadel en een lange kwispelstaart. Door de oenstaande deur ziet ze een bruin paard met witte sokken vastgebonden aan een paal. De ogen staan wat schichtig en geboeid kijkt ze , vanuit één van de vier stukken glas van het raampje, naar het gebeuren.

Het klaarstaande open rijtuig wordt naar buiten geduwd en het paard ingespannen. De boer klimt op de bok met in de ene hand de teugels in de andere de lange zweep. Tot voorbij het open hek loopt het paard rustig dan …..een zwaai, een knal en met zijn hoofd achterover en een hoog gehinnik vliegt het paard vooruit.

Zacht neuriet ze het liedje;
Een karretje langs de zandweg reed
de maan scheen helder, de weg was breed
het paardje liep met vleugels enz…..
eentje keert behouden weer
de ander heeft geen voerman meer
hij komt niet meer thuis die vrind.

Ze schrikt wakker, blij dat het maar een droom is en gaat kwipelstaartendlekker genieten van een kopje koffiekippie.


Posted in Weblog by with 23 comments.

Comments

Pingbacks & Trackbacks

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *